De meeste stukken schrijf ik van tevoren, in bulk, zodat ik ook in drukke tijden iets kan komen vertellen. Vandaag zou ik je vertellen over het taalgebruik in Suriname. Het Surinaamse Nederlands is anders en leuk om over te vertellen. Maar ik heb me bedacht. Kom vandaag toch met iets anders. Last minute decision.
Ik reed zonet namelijk naar huis, van het werk. Ietsje vroeger vandaag. Ik reed op de Gravenstraat en ik weet niet waarom, maar opeens schoot me te binnen dat aanstaande dinsdag we drie stoelen hebben in de KL714, de KLM-vlucht van Paramaribo naar Amsterdam. Geboekt in augustus vorig jaar. Een enkele reis boeken is namelijk duurder dan een retour. En daarnaast was het een escape. Voor als het echt niet zou lukken hier.
De eventuele terugkeerdatum stond dus vast. Stoelen gereserveerd. Het enige dat we hoefden te doen is de koffers weer in te pakken en binnen negen uur zouden we voet op Nederlandse bodem zetten. Dan waren we terug. Thuis.
Ik heb al eens verteld, ik kan niet zo goed tegen verandering. En onze verhuizing naar Suriname was, in ieder geval voor mij, een enorme verandering. En laat ik eerlijk zijn, het is niet altijd makkelijk geweest. Echt niet. En logisch ook. Slapeloze nachten. ’s Nachts wakker schrikken en me net niet in paniek afvragen waar ik in godsnaam ben. Inslapen ging beter als ik mijn ogen sloot en me inbeeldde dat ik in mijn eigen bed lag. Hoe bizar. Maar echt waar, het hielp.
Laat ik nog wat meer ontboezemingen doen, ik ben net zo lekker bezig. Als je zou weten hoe vaak ik vanuit huis naar buiten ben gelopen, om me heen keek en me vervolgens helemaal te pletter schrok. De aanblik. Niets lijkt op wat het was. Wat ik gewend was. Wat ik kende. En hoewel die warmte en de palmen tijdens een vakantie werkelijk een verrukking zijn, was het nu een reality check. En ja, ik heb me beslist afgevraagd wat ik hier in godsnaam doe. Waar was dit nou voor nodig? Voelde me verloren. Hopeloos verloren. Niet de hele tijd natuurlijk, maar zeker bij tijd en wijle.
Ik wilde naar huis. Echt. Die momenten kan ik niet eens meer op handen en voeten tellen. Maar waar is dat, thuis? Gister nog kon ik dat antwoord niet vinden. In de auto op repeat. Uit volle borst zing ik mee. Country roads, take me home. To the place I belong. . En hoopte echt dat de roads de weg zouden weten, want mijn God, ik weet het in elk geval niet.
Vaak aan mijn vader gedacht. Mijn vader werkte bij de Marine en heeft, zoals hij het zelf zei, de hele aardkloot over gezworven. Maar hoe? Hoe heeft hij zich staande gehouden? Wie het weet mag het zeggen. Heb echt geen idee.
’s Ochtends, als ik wakker word en uit het raam kijk, zie ik de toppen van de palmen in de Palmentuin. En hoe vaak heb ik niet gedacht aan de foto’s van vroeger. Foto’s van mij in de Palmentuin. Met mijn vader, Met mijn moeder. Twee jaar oud en absolutely adorable in mijn Shirley Temple jurkje. En misschien toen wel opgekeken en gezien waar ik veertig jaar later zou wonen. Zonder het te beseffen.

Maar zojuist in de auto, die milliseconde dat ik me realiseerde dat ik dinsdag naar Zanderij kan rijden, alleen maar in de rij hoef te gaan staan en als vanzelf naar huis wordt geleid, schrok ik verschrikkelijk. Jezus! Het eerste wat me te binnen schoot? “Shit! Hoe kom ik dan terug?”. Nou, dat was wel een momentje. Kwam even heel hard binnen. Ik vroeg me echt af, hoe kom ik weer thuis?
Ergens tussen drie dagen en twee jaar zal het wel Switi Sranan worden schreef ik vorig jaar. En zojuist, slechts een moment na die ene milliseconde was het zo duidelijk. M’e no go gwe, m’e tan! Ik ga niet weg, ik blijf!. Dus ja, zo ongemerkt in alle hectiek, chaos en heftigheid van het bijna afgelopen jaar is het dus toch zo langzaamaan gekomen. Switi Sranan.
